Op een mooie lentedag speelden drie kinderen in een zandbak met zuiver wit zand. De kinderen probeerden zandkastelen te maken maar dat lukte niet omdat ze geen spullen hadden. Ze hadden geen schepjes, emmers of vormpjes. De pogingen om met hun handen kastelen te maken leverden niet meer op dan hoopjes zand.

Ooit was er een tijd dat in deze zandbak kinderen speelden met een overvloed aan spullen. Het was een tijd waarin de mooiste zandkastelen gebouwd werden. De drie kinderen waren het gewend om niets te hebben en konden daar goed mee omgaan.

Na verloop van tijd werd het steeds leuker om in de zandbak te spelen. De kinderen wisten nog goed dat ze het eerste emmertje kregen. Dat betekende dat ze voortaan water konden halen om het zand steviger te maken. Later kwamen er schepjes. Daarmee konden ze zand scheppen zonder dat hun handen vies en ruw werden. Toen kwamen er vormpjes waarmee de kinderen zandtaarten en zanddieren konden maken. Voor ze het wisten waren ze omringd met een zee van spullen. De kinderen gingen zuinig om met de spulletjes en na elk gebruik maakten ze het netjes schoon. De kinderen konden hun geluk niet op.

Het eerste nieuwe kind kwam in de zandbak toen de drie net een mooi zandkasteel gebouwd hadden. De drie waren het eens: dit was hun meesterwerk. Het nieuwe kind begon mee te spelen met de drie. Hij maakte muziek door met het schepje op de emmer te trommelen. Eén van de kinderen zei dat hij daarmee moest stoppen, iedereen moest zuinig zijn op de spullen in de zandbak.

‘Hoe heet jij?’ vroeg het kind aan de nieuwkomer.

‘Achmed’ zei de jongen.

‘Ik heet Tom’ zei het kind. ‘Ga je mee een kasteel bouwen?’

‘Ik weet niet hoe dat moet.’

‘Het is kei makkelijk, kijk maar.’

Tom bouwde vervolgens een klein kasteeltje en Achmed probeerde hem na te bouwen. Toen ze klaar waren kwamen de andere twee kinderen ook naar de zandkastelen kijken.

‘Die is lelijk!’ zei het ene kind

‘Ja, die van ons zijn veel mooier’ zei het andere kind

‘Doe eens aardig’ zei Tom. ‘Dit is pas de eerste keer dat hij dit doet hoor!’

‘Wie ben jij?’ vroeg het ene kind

‘Ik ben Achmed’

‘Ik heet Lisa’

‘Hoi Lisa’ zei Achmed. ‘En hoe heet jij?’ vroeg Achmed aan het andere kind.

‘Kees’

‘Zullen we samen een kasteel bouwen?’ vroeg Tom aan de drie andere kinderen.

Toen de kinderen instemden, begonnen ze met zijn vieren aan een kasteel te bouwen. Ze waren geconcentreerd op het bouwen maar hadden ook veel plezier. In de tussentijd bleven er steeds meer spullen bijkomen om nog betere kastelen te kunnen bouwen. Tom, Lisa, Kees en Achmed waren erg zuinig op deze spullen. De spullen werden zorgvuldig gebruikt en netjes gehouden. Als bij een emmer de hendel losraakte, dan repareerden ze dat. Als de metalen vormpjes vervormd raakten, zorgden de kinderen ervoor dat deze weer in een goede vorm raakten. Het waren goede tijden maar de kinderen wisten dat het ook wel eens anders was geweest. En daarom gingen ze zuinig om met hun spulletjes.

Zo speelden de kinderen nog een tijdje, vredig en onbezorgd. Totdat plotsklaps de zandbak overspoeld werd met nieuwe kinderen, drie zelfs. Tom ging naar de kinderen toe maar kwam erachter dat hij niet kon verstaan wat ze zeiden, ook al praatten ze stukken luider dan de vrienden van Tom. De nieuwe kinderen gebruikten de spullen uit de zandbak en maakten geen kastelen, maar andere vreemde bouwwerken.

De nieuwe kinderen bleven vreemdelingen voor Tom, Lisa, Kees en Achmed. Ondanks de onbekende taal, het luide praten en de gekke bouwwerken van de vreemde kinderen was het nog steeds een goede tijd in de zandbak. Spullen waren er nog in overvloed en alle kinderen konden op hun eigen plekje spelen.

Toen kwamen er twee nieuwe kinderen. Even later kwamen er weer drie. Vervolgens kwamen er vier. Op een gegeven moment waren de vier de tel kwijtgeraakt. Maar wat ze wel wisten was dat de zandbak overvol was. De vreemde kinderen spraken in vreemde talen en maakten vreemde bouwwerken. Ze gebruikten alle spullen maar gingen er slecht mee om. Ze lieten de spullen vies achter en deden niets aan onderhoud.

De vier vonden het niet eerlijk dat de vreemde kinderen alle spullen gebruikten en er zo slecht mee omgingen. Dus besloten ze steeds meer speeltjes voor zichzelf te houden. ‘Dat zal die profiteurs leren’ zei een van de vier. Even later besloten ze ook dat er geen vreemde kinderen meer bij mochten komen in de zandbak. Weer wat later besloten de vier dat vreemde kinderen die al in de zandbak waren ook weg moesten. ‘Ga terug naar de zandbak waar je vandaan komt!’ zei er één ‘En kom niet meer terug’ vulde een ander aan.

Toen een groot deel van de vreemde kinderen weg was, hadden de vier het weer goed. De rust was teruggekeerd, ze hadden spullen in overvloed en er was meer dan genoeg ruimte om te spelen. Doordat de vier een gemeenschappelijke vijand hadden en deze met succes verdreven hadden was hun band sterker dan ooit.

Vreemde kinderen bleven komen, maar ze werden steevast geweigerd. Deze zandbak was niet voor hun. Met verslagen gezichten bleven de vreemde kinderen buiten de zandbak rondhangen. Terwijl de vier speelden in de zandbak met het mooie witte zand, zaten de vreemde kinderen buiten de zandbak op harde betonnen tegels. ‘Moet je ze nou zien zitten, stelletje stumpers’ zei er één. ‘Jammer voor hun’ zei de ander. ‘Moeten ze maar zorgen dat hun eigen zandbak ook zo mooi is als die van ons’ zei weer een ander.

Wat de vier niet zagen was dat in de zandbakken van veel van de vreemde kinderen niet gespeeld kon worden. Het zand was vies en zat vol met vliegen en ander ongedierte. Speeltjes hadden ze niet. Er waren ook andere zandbakken met schoon zand en een aantal speeltjes. Maar de vreemde kinderen uit deze zandbakken wilden spelen in een nog mooiere zandbak. Of het nood of wens was maakte niet uit voor de vier. Ze probeerden zoveel mogelijk vreemde kinderen buiten te houden.

Ondertussen zagen de vreemde kinderen de zandbak en al het moois in die zandbak van een afstandje. Ze vonden het oneerlijk dat hun niet in de zandbak mochten spelen. ‘Kijk ze spelen in dat prachtige witte zand’ zei de één. ‘Veel van de spullen gebruiken ze niet eens’ zei een ander.

Na een tijdje stapten een aantal vreemde kinderen toch in de zandbak. Ze werden tegengehouden maar lieten zich niet wegjagen. Het liep uit op een vechtpartij en de vier bleken de sterksten te zijn. De vreemde kinderen vluchtten weg uit de zandbak en keerden terug naar de andere vreemde kinderen. Toen de andere vreemde kinderen de verwondingen zagen waren ze geschokt. ‘Dit kan zo niet langer’ zei de één ‘Wie geeft hun het recht’ zei een ander.

Er begon onrust te ontstaan in de groep vreemde kinderen. Ze waren het erover eens dat het zo niet door kon gaan. Ze vonden dat ze net zoveel recht op die mooie zandbak met het parelwitte zand hadden als elk ander kind. De vreemde kinderen gingen met zijn allen naar de zandbak. Er ontstond ruzie tussen de vier en de vreemden. De vier gebruikten hun spullen als wapens en de vreemden gebruikten hun aantallen in de strijd om de zandbak. Het werd een langdurige allesvernietigende veldslag. Na een tijd van wreedheden over en weer kwamen de kinderen tot een wapenstilstand. Er waren nog maar een handvol kinderen over. In de zandbak was nu veel ruimte maar de spullen waren vernietigd en het zand was vies. Ze zweerden dat ze nooit meer met elkaar zouden vechten en voor altijd in vrede zouden leven.

Na een tijdje maakten de kinderen in de vieze zandbak met hun handen zandkastelen die eruitzagen als hoopjes zand. Ze spraken over een tijd dat in deze zandbak kinderen speelden met een overvloed aan spullen. Een tijd waarin de mooiste zandkastelen gebouwd werden.


Deel dit artikel: